
13/01/26 // januaribehoeften
Ik heb het eerste weekend van januari op de Veluwe doorgebracht. Het dorpje heette Emst en ik had er een huisje op een erf bij twee lieve mensen op leeftijd, die de plek verhuurden aan koppels, vrienden en af en toe een soloreiziger, zoals ik. Het is er stil. Er ligt sneeuw. Ik heb een stapel boeken, een aquarelverfsetje en schrijfschriften mee, ik luister een afspeellijst van soundtracks uit Italiaanse pornofilms uit de jaren '70. Iets van kalmte lijkt mijn opperhuid in te sluipen. De drukte van de feestdagen lijkt welkom ver weg. Ik kan me geen jaar herinneren dat Kerst en de jaarwisseling geen paniekaanvallen teweeg brachten - bij wie kom je terecht, wil je daar wel zijn, ben je bij je meest dierbaren of zijn zij ergens anders, met wie dan, waarom ben jij daar niet, haal je wel écht alles eruit? Een deel van me wil het overslaan. Een groter deel van me krijgt daar nog meer paniek van. De enkele slinger kerstlichtjes die halfslachtig tegen mijn met vochtvlekken belaagde muur hangt, redt de sfeer niet.
Dus dan maar de Veluwe.
Na lang dubben sleep ik mezelf naar spa Veluwse Bron. Aanvankelijk heb ik daar spijt van - de rust vervliegt met de gigantische groepen mensen die in de eucalyptusbaden liggen en op de hete houten saunabanken net te hard door de sereniteit heen fluisteren. Ik ben me er plots weer van bewust dat ik een lichaam heb. Een heel erg naakt, heel erg kwetsbaar lichaam. Maar zwemmen zonder badkleding is fijn en buiten is het rustig, want het is twee graden onder nul. Alleen de echte die-hards en de tieners die elkaar opnaaien durven met enkel een handdoekje om naar de buitensauna's te wandelen. De stoom van de verwarde buitenbaden lijkt net mist over een moeras. Ik zie niet wie me tegemoet loopt. Hier zijn we allemaal schimmen. Mijn lichaam verdwijnt even. Als ik een saunagebouw in wil, moet ik eerst mijn badjas uittrekken en sta ik volledig naakt in de vrieskou. Alles trekt strak. Ik merk dat ik het kan hebben, dat het meevalt. Niets lijkt plots logischer dan geen kleding aan hebben. Een vreemde behoefte begint zich achterin mijn brein te vormen: zonder kleding buiten zijn, mijn huid bedekken met klei, naakt zwemmen, slijk tussen mijn tenen voelen, vers brood en warme zelfgemaakte soep, lezen met zacht licht, mijn handen in de sneeuw duwen. Mijn net niet goed afgestelde bureaustoel en drie schermen lijken ver weg.
Ik wil niet naar huis. In de door smeltende sneeuw gevormde modder kan ik verdwijnen en een heerlijk gedachteloos bodemdiertje zijn. Die schijnen de feestdagen niet te vieren.